Dichter

Het is verwonderlijk dat er niet méér goede praktijk wordt gehaald uit kloosters en abdijen.

Ik ben niet gelovig maar ik geloof dat deze vorm van gemeenschapshuizen aantrekkelijk is voor mensen die –onder voorwaarde van stilte, structuur en eigenaarschap– betrokkenheid en nut willen voelen.

Ik lees dat in een vleugel van de oude abdij van Drongen één van de zeven Belgische arkgemeenschappen is ondergebracht. Mensen die hier verblijven zijn geen patiënt. Ook niet in het bijzonder.

Er waren onbetreden wegels met onder onze voeten een mals, groen tapijt, brandnetels en dieren die schichtig verdwenen. Wat we zagen was ‘kwestie van tijd’.

We wandelen nu op verharde wegen langs de Leie. Ik verbaas mij over het kerkje dat, bij elke zelfde wandeling, de indruk geeft dichter te komen.

We zijn thuis in dichten en we zijn weg van poëzie.

En met onze hoofden als bibliotheken waarin zinnen en verzen verblijven schuiven wij aan een gedekte tafel en drinken we abdijbier en wijn.

Ons beviel het gevoel van nooit uitgepraat te zijn.

Blijven bewegen – sinds lang met mijn blote voeten in zee.

Een vrouw die uitdrukkelijk ‘dankjewel’ zei trok mijn aandacht. Ze at achter het open raam waaraan ik voorbij liep.

Ik kon haar enkel bedenken.

Iemand met een praktisch kort kapsel, comfortabele kleren en steak op haar bord. Een aan/uit-vrouw die geen energie steekt in nuanceren en –zoals een roker die tijdens de dag niet mag roken ‘s avonds alsnog zijn pakje oprookt– in de avond de woorden gebruikt die ze tijdens de dag moest verzwijgen.

In de toon waarmee ze bedankte school geen erkentelijkheid –ik herkende de leerkracht die bedankte voor strafwerk– want ze heeft voor haar maaltijd gewerkt.

Die vrouw consumeert en is meer ervaren in bedanken dan in de toepassingen van alsjeblieft.

als consument heeft de wereld niks aan mij gehad, ik ben meer producent.

Middas Dekkers (https://podcasts.apple.com/be/podcast/het-marathoninterview/id328175988?l=nl&i=1000485414617).

Ook ik ben eerder een producent en ‘blijven bewegen’ past goed. Verder is er geen verwantschap met Midas. Zoiets hoeft écht geen bewijs.

Wandelen deed ik met Middas, rusten deed ik met Sartre.

De kunst van de eenzaamheid

Uit gastvrijheid –of omdat ze als-in-Frankrijk-leven– hadden ze de tafel rond twaalf uur met amuses bedekt.

Tegen twee uur kwam het échte eten. Ik at uit respect nog moeizaam mijn bord leeg maar het dessert gaf ik gul aan de frigo terug.

Ronder dan eerst gleed ik achter het stuur van de auto. Naast mij en achter mij werd toegegeven aan de slaap waar ik tegen vocht.

Liggen was, eenmaal thuis, een logische vervolg geweest maar in plaats daarvan fietste ik ver voorbij mijn mogelijkheden.

Tussen de velden voelde ik mij leger en frisser worden.

Ik ben, tegen-mijn-wil, zelden alleen. Er zijn in dit land onvoldoende eenzame velden om in te verdwijnen. In de verte lonkte alweer een druk dorp naar mijn dorst.

Ik neem mezelf niet goed waar. Er zijn mensen die zich bewust zijn van hun présence en in hun beeltenis wonen.

Ikzelf heb echt nooit de idee in mijn lichaam te zijn. Mijn geest heeft geen gedacht van wat ik presenteer. En wellicht omdat dat ik zo opgedeeld ben, kan ik zeer moeilijk mijn voorkomen controleren.

Er werd, meteen na mijn bestelling, een tweede glas gebracht. De kelner nodigde mij, in naam van de vrouw die mij zwaaide, uit aan een andere tafel.

Het koppel kende mij niet. Maar ze hadden mij, bij het kasteel dat ik eerder bezocht, horen praten over iets dat hen in-het-bijzonder interesseerde. Ik moest me zeker niet verplicht voelen maar ‘zet u en tast toe’. Op hun tafel stonden glanzende olijven, kaas en droge worst. De overvloed deed me vandaag weinig goed.

Het was aangenaam maar ik verdroeg geen tweede shift feest. Ik verlangde oprecht naar mijn fiets en de stilte en ik kon geen stoel meer verdragen. Dus ik deed net genoeg om aimabel te zijn en reed dan de velden weer in.

Met niks dan plannen in mijn hoofd kwam ik onverwacht thuis.

Mijn lijf leek, ook na het ontkleden gekleed.

Charles Lewinsky zijn ‘verborgen geschiedenis van Courtillon’ is LDVD (liefdesverdriet) met de geur van lavendel. Ik ben hélemaal mee met de toon. De man zoekt elders de grond waarop hij haar kan vergeten maar blijft té dicht bij zichzelf om in dat vergeten, ondanks de afstand, succesvol te zijn.
Denkers zijn kwetsbare mensen.

De ‘moeten’ bij ont-moeten

Van mensen die het kunnen weten neem ik aan dat ik zomaar kan verdwijnen. Dat als ik door omstandigheden het huis, de straat, de stad of het land zou verlaten, alles zal doorgaan en niets zal verkeren.

In de tijd dat ik terrassen passeer is er niemand die naar mij roept. Ik ken noch de kelners, noch de klanten bij naam en er is géén café waarvan ik weet dat ik er mijn vrienden zal treffen als ik er niet eerst met hen afspreek. Ik voel dat me dat bevalt want ik kijk graag rond en zwijg als volwassenen praten.

Toch had ik een vorm van verlangen gevoeld wanneer mijn kennis beloofde nog tijdens de zomer uit Duitsland te komen om samen met mij op een rustig terras te gaan zitten.

Maar hij stierf

Hij stuurt me nooit meer het liefs dat hij schreef. Treinritten hebben niet langer het potentieel van zijn boeiende conversaties.

Hij hield van mij en van mijn familie zoals niet veel mensen van mij en van mijn familie kunnen houden.

Dood zijn duurt zo lang

https://youtu.be/l16VB2mMyzA

Vertel!

Bezig met een hoofd (speksteen)

Ik ben niet van de ‘lievelings–‘.

Mijn goesting is zelden gedefinieerd. Ik vertrouw op ‘plat du jour-formules.

Dan is het vreemd dat boeken van Charles Lewinsky al van bij de eerste zinnen winnen.

‘De verborgen geschiedenis van Courtillon’ lezen is wandelen door een beeldentuin. De schrijver maakt kunst van zijn empathisch vermogen.

Misschien is dat wat een ‘lievelings–‘ doet. Het herkenbare met verlangen versieren waardoor het zich representeert.

Lewinsky pint tentharingen waaraan tenttouwen strakgespannen worden.

Ik verstop mij vaak ongewassen achter de deur om mijn zoon uit te zwaaien. Maar gisteren bonsde een man ‘boenk-boenk-boenk’ meteen nadat ik het huis had gesloten. Mijn aarzeling liet de sleutel traag draaien. De man gaf de indruk schorriemorrie te zijn en het mondmasker toonde hem kwaad. ‘Watermeter’ beval hij en ik had geen idee of dat kon. Meteen liep hij binnen, opende een deurtje dat ik nog niet kende en mompelde iets dat ik als ‘terugkomen, later’ verstond. Hij ging weg.

Ik zocht steun bij de deur. Met mijn rug naar de straat. Mijn haar had antennes en de zomer hing, als een te grote T-shirt, over mijn lijf.

Door het badkamerraam viel geel licht op de planken. De tijd en de tandpasta hadden fluor in zich.

In de vooravond vond ik plezier bij een koffie. Boekhandel de Limerick heeft wellicht het mooiste terras van de stad.
Er leven zoete aardbeien in de tuin…

Orde in de chaos

Mijn creatieve chaos heeft sporen van orde. Er is een goede kans dat mijn werkruimte binnenkort overzichtelijk is. Ik probeerde een tijdlang niks nieuws te maken en niet te lezen. Het is een uitdaging die ik niet langer aankan. Mijn dromen zijn te heftig en ik voel mij onvrij en rusteloos bij zoveel creatieve rust.

Het is druk in mijn hoofd als ik wandel. Zo had ik de man niet gezien die achter mij aanzat omdat hij een foto wou maken van mijn rode rok op de kleurige brug. Hij vroeg mij opnieuw te passeren. Ik deed dat vol schroom maar oprecht. Ik begreep welke foto hij zag. Iets willen maken… het is energie van de pijnlijke soort wanneer ik ervan word weerhouden.

Van de misdaad ben ik niet bang, ik heb immers altijd een alibi.

Uit een losse conversatie

Minstens een keer per dag moet ik lachen. Ik struikel over mijn woorden en over mijn voeten. Wie chaos uitdraagt moet humor inbrengen.

Het personeel van de zaak lijkt groenten en fruit slecht te kennen. Een groot aantal keer vraagt men mij naar de naam en wekt men de indruk niet te weten of het artikel op velden of aan bomen groeit.

  • Zijn dit gedroogde rozijnen? Vroeg de kassamedewerker die mijn portie wou wegen.
  • Neen, het zijn gedroogde druiven zei ik.
  • Kijk, hier bij de afbeelding staat het: gedroogde rozijnen.
  • Het staat er foutief

Het is wat het zomaar zou kunnen worden. Steeds meer mensen die wonen in een huis zonder keuken of leven in de omgeving van onbewoonde kookeilanden. Steeds minder huizen ruiken naar eten. Ik kan dat jammer vinden. Maar straks rukken de bbq’s uit. Dan ruiken de tuinen naar keuken.

Ik ruik er naar uit!

Er is een markt voor vrijheid.

Er waren de werkmannen die zongen, het meisje met de tekenkaft, de ouderen van dagen, de man die tussen straat en plein de klanten amuseerde en de hoeders van de markt.

In de buurt van een witte beletterde camionette tilden twee jonge mannen samen een kist die ze alleen niet konden dragen. Ze zongen luid, luider dan het straatgeluid. Ik was de enige die luisterde, diegene die hun zweetgeur rook en die hun glimlach zag.

Er is een tijd geweest dat ik met een groen gemarmerde tekenkaft kon worden gezien. Ik zag zo’n lookalike lopen. Een meisje van vooraan de twintig die blij was met de bagage die ze in haar Canson tekenmap tezamen hield. Het is niet omdat je een andere wereld kent dat je niet –ook– van deze wereld bent. Deze reizigster in ideeën wist haar gedachten met strikken te binden.

Een vrouw met permanente krullen en permanente vakantie zette zich op de bank naast mij. Ze deed me aan Pippi Langkous denken door de manier waarop ze haar dunne slappe beker verdroeg waarin haar koffie dampte. Aan onze bank passeerden mensen die zwaaiden en riepen naar haar maar ze liet mij haar stemgeluid niet horen. Ook niet toen ik rechtstond en verbaal naar haar zwaaide, ook dan wuifde ze stil en wimpelde ze mijn groeten af.

Tussen de deur aan de straat langs het marktplein stond een kolos van een man met een voorschot rond zijn buik. Naast hem stond de inhoud van een aluminium casserole te pruttelen. Alsof de kalkoenen nog leefden. Ik vroeg een sandwich met kaas. De waard liep achter de toog en terug. Hij kreeg vijf euro en gaf mij het wisselgeld maar voor de rest van de tijd bleef hij zonder taak in mijn buurt. Ik vond het wachten niet erg. De kaas moest even chambreren, zei hij en de boter was nu nog niet zacht. Ik hoorde minstens drie volle liedjes toen een andere man me het brood kwam brengen. De zak die hij gaf woog bijna een kilo. Een half stokbrood belegd met drie soorten zuivel. Er zijn smaken die me nimmer verlaten. Deze ervaring staat in mijn zintuiglijk geheugen gegrift.

Wonen in Gent is duurder geworden. Op dit marktplein was niemand echt rijk. Niet de mannen en vrouwen die inkopen deden, ook niet diegenen die zomaar passeerden. Ik zag alleen maar bescheiden bezit en dat vormde een harmonisch geheel. Ik viel op als een ‘vreemde’, maar dat uitte zich in gedeelde interesse. Ze herkenden mijn eenvoud. Ik werd getolereerd en, vlak na mijn stokbrood, werd ik op een cavaillon-meloen getrakteerd.

Vrijheid krijg je niet, je steelt het zomaar van de markt.